Kobudo betekent "oude (ko) weg van het gevecht (budo). Tengu Ryu is de geest waarin kobudo wordt beoefend in B.R.C. Halle (zie Tengu).
Voor een beetje geschiedenis betreffende oorsprong van kobudo en de tijdens de lessen gebruikte wapens verwijzen we naar ons volgend document geschiedenis en wapens.

Kobudo en Karate-Do zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Beide vechtskunsten kennen dezelfde voorgeschiedenis. Ze zijn namelijk onstaan uit het verzet van de bewoners van Okinawa tegen hun bezetters – eerst China en daarna Japan – en het verbod te mogen beschikken over wapens.

Het Kobudo wordt binnen Tengu-Ryu beschouwd als het tweede domein (Tengu-ryu kobudo).  

Als basis wordt het klassieke kobudo beooefend met de gebruikelijke wapens (bo, sai, tonfa, nunchaku, kama, …).  Net zoals het karate-do voor het eerste domein, dient de beoefenaar immers vertrouwd te geraken met de technieken, de snelheid van uitvoering en de verschillende principes die toepasbaar zijn binnen de gevechtskunst. Traditioneel wordt hierbij gewerkt op Hojo Undo (Kihon), Kata en Bunkai, Kumite, de reeksen van  Tamano en Inoue en San Nin Kumite.

Tijdens de lessen wordt echter ook gewerkt volgens de principes van Tengu-Ryu en wordt er aandacht besteed aan de mentale aspecten van een werkelijk conflict.  Hierbij wordt getracht reële situaties te benaderen zoals ze zich op straat zouden kunnen voordoen en dit in al zijn nuances : van de lastige dronkaard tot de reële agressor – en waar wapens aan te pas komen.  Als verdedigingswapen wordt in de lessen voornamelijk met tambo gewerkt (kleine stok van ongeveer 50 cm), die echter symbool staat voor elk geïmproviseerd wapen : paraplu, opgerold tijdschrift,  enz.  Alle mogelijke situaties worden zo goed mogelijk gesimuleerd : aanval zonder wapen, aanval met stok, base-ball bat, mes, … ; verdediging zonder wapen, met tanbo, … ; aanval van meerdere personen, … Het gaat er om de beoefenaar mentaal onder druk te zetten en hem aan te leren hoe daarmee om te gaan, alles volgens het basisprincipe van Tengu Ryu :"niet willen vechten, maar niet ondergaan”.

 

Kobudo lessen bij B.R.C. Halle

Naast het klassieke werk met de basiswapens bo en sai, wordt regelmatig gewerkt met boken (houten katana) en tanbo (korte stok van 50 à 60 cm). Met deze wapens worden ook regelmatig geoefend tijdens de  lessen karate-do. 

De lessen worden opgebouwd uit Hojo Undo (Kihon), Kumite (werken met partner) en Kata (gecodifieerde vormen van het gevecht). Ze zijn in principe toegankelijk voor iedereen, maar een zekere kennis van een gevechtskunst is wenselijk.

 

Tijdens gans haar geschiedenis lag het eiland Okinawa (« koord die in de zee ligt ») onder vuur van haar twee machtige buren, eerst China en daarna Japan. Gelegen op ongeveer duizend kilometer van de Chinese kusten, diende Okinawa China door als pleisterplaats voor soldaten en handelaars te fungeren voor Japan. Alvorens zich te moeten onderwerpen aan Japan, was het eiland het decor voor onophoudelijke schermutselingen tussen piraten, komende van alle horizonten, hetgeen duidelijk haar sporen naliet. Onder invloed hiervan kon het dan ook niet anders of het eiland werd een smeltkroes, waar mettertijd een vruchtbare synthese ontstond van alle domeinen binnen de gevechtskunsten : de inwoners werden immers verplicht zich te onderwerpen om te kunnen overleven en ontwikkelden verschillende projecten uit haat tegenover de bezetter, die uiteindelijk doodliepen, maar waaruit het Ko-Budo geboren werd. Dit kunnen we vaststellen door de belangrijkste mijlpalen samen te vatten van de geschiedenis van een gemeenschap die weigerde haar eigen identiteit te verliezen : Tot de Xe eeuw zijn er weinig elementen bekend van de geschiedenis van Okinawa. Het eiland is verdeeld onder verschillende rivaliserende clans die elkaar constant bevechten. Het is in de XIVe eeuw dat Okinawa werkelijk uit haar isolement geraakt : commerciële betrekkingen worden onderhouden met China, Korea en Japan, maar ook verder met Java en Sumatra.

Tegen 1429 wordt het eiland verenigd onder de heerschappij van Sho Hashi (1421-1439). Het is in die periode dat de steden Naha en Shuri fleurerende commerciële steden worden, opslagplaatsen voor alle producten uit Zuid-Oost Azië, waar Japanners, Chinezen, Indiërs, Maleisiërs, Thai en Arabieren elkaar ontmoetten. Hieruit konden de inwoners duidelijk hun voordeel halen met betrekking tot de ontwikkeling van hun eigen oorlogstechnieken. Naar het schijnt is het ook vanaf 1421 dat Okinawa eer bewijst aan Japan. Het is in het begin van de XVIe eeuw dat de doorslag gegeven wordt die zal beslissen over de originele oriëntering van de oorlogstechnieken die het eiland zal voortbrengen. Onder de heerschappij van koning Sho Shin (1477-1526) wordt het eerste verbod afgekondigd: door vrees voor opstanden worden alle wapens verzameld en opgeslagen in een streng bewaakte opslagplaats. Het volstaat dat iets verboden wordt opdat men datgene wat verboden wordt met veel interesse gaat beschouwen … het is inderdaad een eerste aanmoediging om te leren vechten zonder wapens en dus de technieken te ontwikkelen met de lege hand (begin van de voorvader van de Karate) of het omvormen van dagdagelijkse gebruiksvoorwerpen naar geduchte wapens.

Een tweede etape is gesitueerd rond het begin van de XVIIe eeuw. Japan is op dat moment het toneel van een nieuwe burgeroorlog : winnaar wordt de clan Tokugawa, de overwonnen clan is die van de Satsuma, geleid door de familie Shimazu. De nieuwe shogun wendt de kracht van de Satsuma – overwonnen, maar niet vernietigd - handig aan door ze naar de eilanden van Ryu Kyu te sturen : een slimme manier om zich van hen te ontdoen en tezelfdertijd de Japanse controle over de eilandengroep te bewaren. Op 5 april 1609, vallen de Satsuma Okinawa binnen met 3000 soldaten. Het eiland zal onder de heerschappij van de nakomelingen van de Satsuma blijven tot 1879. Zeer snel na de bezetting verschijnen de eerste ordonnanties van Iehisa Shimazu, waarvan de belangrijkste het bezit van wapens verbiedt, alsook iedere aanwending met martiale eigenschappen. In dit verbod zien de eilandbewoners een vernieuwde uitdaging en doet het bevelschrift van Shimazo de verzetsgeest van de autochtonen opnieuw oplaaien. Het is rond 1630 dat de gevechtstechnieken met lege handen ontluiken: men noemt ze Te (de hand). Het zijn combinaties van lokale elementen met het Chinese Chuan-Fa (Kung Fu).

Maar de echte nieuwigheid is het perfectioneren van de geïmproviseerde wapensystemen: het startpunt van de Kobudo-systemen, zoals we ze vandaag kennen. Toen sprak men van Ti-Gua, verzamelnaam voor de trainingen, ontwikkeld op basis van werktuigen, bedoeld voor het bewerken van de akkers of voor het vissen, gebruikt in het dagelijkse leven. Al deze instrumenten, op het eerste zicht schadeloos, werden in de handen van bepaalde experten vernietigende wapens. De uitoefening van het Ti-Gua ontwikkelde zich tezelfdertijd en parallel - met bepaalde gelijkenissen trouwens – met het Okinawa-te. Sommige van deze wapens bleven uitzonderlijk primitief in hun gebruik, terwijl andere hun efficiëntie haalden uit bestudeerd manipuleren. In die tijd werd trouwens enkel het strikt utilitaristisch aspect onderzocht, men bevond zich in het stadium van de Bugei (gevechtstechniek) en nog niet in dat van dat van Budo (gevechtskunst, met een mentale notie). De trainingen vonden plaats in het grootste geheim, s’nachts, en de technieken werden enkel mondeling doorgegeven. Langzamerhand echter, duikten de experten met meer aanleg op uit het lot en geraakten de stijlen gediversifieerd en begonnen de verschillende meesters hun onderwijs te codifiëren, minder en minder plaats latend voor improvisatie. De volwassenwording zal zich echter pas in de XIXe eeuw voltooien.

Na 1868, na het in ere herstellen van de Meiji in Japan, wordt alles, wat ook maar in de verste verte iets te maken heeft met een martiale activiteit, verboden over het gans rijk. Het is de « Bakumatsu », het einde van de militaire heerschappij, die opgericht werd in 1603 door Tokugawa Ieyasu. Langzamerhand ontdaan van hun oorlogsgeest, verschijnen de Shin-Budo (de « nieuwe » Budo) in tegenstelling met de Ko-Budo van vroeger. In 1879, wordt Okinawa officieel een prefectuur van Japan. Er wonen er op dat moment 350.000 op het eiland, waarvan 23.000 te Naha. De Japanse orde heerst en de oude kunsten dreigen te verdwijnen. Enkele oudere meesters oefenden nog in een honderdtal scholen, bewaarders van een bedreigd patrimonium. Het is pas in 1903 dat de eerste openbare demonstratie te Okinawa gegeven wordt, van deze, tot dan toe voor de nieuwsgierigheid van de Japanners – die nog steeds als vreemdelingen beschouwd werden -, verborgen gehouden gevechtskunst. Het was een revelatie. Het daarop volgende jaar laat de regering van Tokio de beoefening van deze gevechtskunsten in de scholen toe, waar ze deel uitmaken van de lichamelijke en sportieve opvoeding. Het Ko-Budo wordt op die manier van de vergetelheid gered. Tien jaar later betekent de grote doorbraak van de karate onder impuls van Gichin Funakoshi en zijn opvolgers, omdat ze besloten hadden definitief de grote stilte te verbreken. De karate overschaduwde lange tijd de kobudo, maar het is nog vóór de tweede wereldoorlog dat de eerste Japanners beginnen aan de studie van deze, door boeren uit de verre kolonie Okinawa ontwikkelde, eigenaardige technieken. De aflossing was verzekerd. Men weet dat, gedurende de laatste wereldoorlog, het eiland Okinawa volledig verwoest werd en dat grote gedeelten van de bevolking uitgeroeid werden.

Als gevolg hiervan verdwenen verschillende experten en raakte de omkadering van de vorming gedesorganiseerd. Van 1945 tot 1972 kent Okinawa een andere overheersing, deze van de amerikaanse overwinnaar. Deze bezetting wordt nog versterkt na 1950, tijdens de oorlog van Korea, met een permanente aanwezigheid van meer dan 100.000 GI’s. Velen onder hun brengen in de Verenigde Staten verslag uit van de eerste fragmenten van Karate en bijkomstig Kobudo, hetgeen snel de interesse opwekt van het grote publiek in Amerika en vervolgens in Europa. Gesolliciteerd als nooit tevoren, organiseren de experten uit Okinawa zich in min of meer revaliserende federaties, hun onderwijs hierbij codifierend op een nieuwe basis, opnemend, veranderend, zelfs nieuwe kata’s creërend. Parallel hieraan ontwikkelen de japanse experten hun eigen stijlen met andere wijzigingen. Maar zelfs deze beide groepen experten beweren woest van de lijn van de oude meesters van het Kobudo van de vorige eeuw af te stammen. De uniformiteit van de technieken is voorgoed verdwenen. Er bestaan een 20 tal Kobudo wapens, enkele zijn met uitsterven bedreigd aangezien de beheersing ervan een zeer lange oefening vereist.

De belangrijkste wapens zijn :

 

Sai: drietand in metaal. Normaal gebruikt men twee Sai maar een derde kan bevestigd worden aan de gordel op de rug om een eventueel door de strijd beschadigde of verloren Sai te vervangen. Een variant is Manji sai en Nunte. Het oorspronkelijk gebruik van een Sai is niet erg duidelijk. Men denkt dat het een werktuig in hout was om de rijst te planten of een soort harpoen voor de vissers of een soort wapen, gedragen door Boeddhistische monniken.

Bo: Stok tussen 1,6 en 2,8 meter lang. Meestal is hij rond, maar hij kan ook hexagonaal van vorm zijn. De Bo kan ook gebruikt worden met een Nunte als verlengstuk.Kortere stokken zoals Hanbo, Jo, Tanbo,… worden beschouwd als varianten van een Bo. De eerste Bo’s waren waarschijnlijk niets anders dan de Bamboestokken die op de schouders gedragen werden om zware lasten te vervoeren.

 

Tonfa: De Tonfa bestaat uit een stok waarvan de lengte ongeveer overeenkomt met een menselijke voorarm. Loodrecht hierop is een handvat bevestigd. Dit wapen, wordt net als de Sai gebruikt in paar. De oorspronkelijke Tonfa was niets meer dan het hout in een molensteen, waaraan gedraaid werd om sojabonen te vermalen. In geval van nood kon de Tonfa snel uit de molensteen getrokken worden.

 

Kama: de sikkel, die gebruikt werd voor het snijden van de rijst of het suikerriet. Worden ook gebruikt per paar.

 

Bokken: houten zwaard dat de katana vervangt voor het oefenen.

© 2016, website powered by Twizzit.com